Terug naar alle blogs
Soms sta ik met mijn laarzen in de modder en vraag ik me oprecht af waar ik mee bezig ben, hoe blij ik ook ben met de resultaten.
Begrijp me niet verkeerd. Ik ben in basis een rasoptimist. Dat moet wel als je dagelijks vecht voor meer biodiversiteit, een beter klimaat en probeert om duurzame te ondersteunen. Of het nu gaat om het redden van miljoenen zaailingen met Meer Bomen Nu, of het opzetten van nieuwe vormen van ecologisch ondernemerschap zoals Urgenda dat met Land in Zicht zo mooi doet; ik geloof in actie.
Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het nieuws me de laatste tijd soms eerder verlamt dan motiveert. De stikstofcrisis die muurvast zit. De snelheid waarmee we wereldwijd biodiversiteit herstellen lijkt te verliezen aan politiek gesteggel en korte-termijnwinst.
Het voelt soms als dweilen met de kraan open. Of erger: als een druppel op een gloeiende plaat die allang is doorgebrand. Mijn laatste blog was wat dat betreft misschien wat pessimistisch ingestoken.
En toen hoorde ik gelukkig deze aflevering van de podcast 'Leven na de Groei' over een nieuwe studie van de econoom Thomas Piketty en zijn team. En voor het eerst in jaren voelde ik het weer: geen blinde hoop, maar wetenschappelijk onderbouwde rationele hoop.

Het kan écht nog!
De studie waar ik het over heb, 'Prosperity Within Limits' (2026-2100), is geen zweverig manifest. Het is een keiharde doorrekening door topeconomen van het World Inequality Lab. De centrale vraag: kunnen we in 2100 een leefbare wereld realiseren waarin iedereen (wereldwijd) een fatsoenlijk bestaan heeft?
Het antwoord is ja.
Niet "ja, als we allemaal een wonderpil slikken", maar ja, als we bereid zijn onze systemen fundamenteel te veranderen. En dat raakt me. Juist omdat het niet begint met "we moeten", maar met "het kan". De wetenschap laat zien dat een weg naar herstel economisch simpelweg mogelijk is. Dat is geen utopie, maar een keuze.

Leven naar de draagkracht van de aarde
Wat deze studie doet, is de focus verschuiven van oneindige ‘groene’ groei naar regeneratieve systemen. Ze rekenen voor dat we binnen de draagkracht van de aarde qua inkomensniveau naar een wereldgemiddelde kunnen van ongeveer 60.000 euro per persoon (koopkracht) per jaar. Dat is ongeveer het welvaartsniveau van rijke landen zoals Denemarken nu!
Maar de crux zit hem in de manier waarop we dat geld verdienen en uitgeven. In deze visie is natuurherstel geen bijzaak of een 'leuk projectje voor op zondag'. Het wordt een pilaar van de economie, goed voor 10 tot 12% van het wereldwijde BBP. Dat betekent dat we massaal gaan investeren in bomen planten, bodemherstel en het omvormen van onze landbouw naar regeneratieve landbouw.
Wat Piketty en zijn team voorstellen, is nuchter en radicaal tegelijk:
Minder werken, meer leven: AI wordt niet gebruikt om nóg meer spullen te produceren, maar om vrije tijd te creëren. Denk aan een werkweek van 20 tot 25 uur. Dat geeft een mens meer ruimte om te zorgen voor elkaar en voor de aarde (o.a. vrijwilligerswerk groeit en de zorg wordt beter).
De 'Crap Tax': Een progressieve consumptiebelasting op spullen die we niet nodig hebben en die de draagkracht van de aarde ondermijnen. Wil je een derde SUV of de nieuwste plastic rotzooi? Dan betaal je de hoofdprijs. Dat geld vloeit direct terug naar herstel.
Het Convergentiefonds: Een mondiale heffing van 2% op multinationals om de transitie in het mondiale zuiden te betalen. Geen liefdadigheid, maar een noodzakelijke investering in een stabiele wereld.
Waarom dit mijn werk weer kleur geeft
In mijn dagelijkse praktijk ben ik veel bezig met storytelling rondom duurzaamheid. Ik probeer door middel van film en projecten zichtbaar te maken wat er gebeurt als we de grond weer de aandacht geven die ze verdient. Soms voelt dat klein. Maar deze studie laat zien dat die kleine projecten (een haag in de polder, een voedselbos, agroforestry met Paulownia, lokale energiecoöperaties) de bouwstenen voormen voor een nieuwe economie.
Als ik een film maak over groene pioniers die circulair met groen werken, dan doe ik dat niet alleen om iets moois te laten zien. Ik doe het om te bewijzen dat die 2100-visie nú al bestaat in kleine pockets van weerstand en creativiteit.
De wetenschap bevestigt nu wat wij met de handen in de klei allang voelen: we kunnen niet blijven groeien ten koste van de draagkracht van mens en aarde. Maar we kunnen wel degelijk tot bloei komen binnen die grenzen!
Als er geen hoop is, valt er ook niks te vrezen
Ik zei onlangs nog tegen iemand: "Als er geen hoop is, valt er ook niks te vrezen." Het klinkt misschien rauw, maar het is mijn kompas. Als we accepteren dat de oude wereld eindig is, verliezen we de angst voor verandering. Dan ontstaat er ruimte voor iets nieuws.
Het werk bij Meer Bomen Nu is niet langer een wanhopige poging om de ramp te vertragen. Het is samen impact maken en in actie komen om te bouwen aan een pad naar 2100. Een pad dat nu door de slimste koppen ter wereld is gevalideerd als haalbaar. Dat betekent dat elke boom die we verhuizen, elke vierkante meter die we onttegelen en elk gesprek dat we voeren over duurzaam ondernemen ertoe doet. We zijn geen druppel op een gloeiende plaat; we zijn de regen die de bodem weer tot leven brengt.
De keuze is aan ons
De toekomst ligt niet vast in een zwart scenario van onvermijdelijke ondergang. De studie van Chancel, Piketty en hun team (gepubliceerd in de World Inequality Lab working paper, 2026) laat zien dat we de thermostaat van de aarde onder de 2 graden kunnen houden terwijl we wereldwijd armoede uitbannen. Maar dan moeten we nu stoppen met praten over marginale verbeteringen en gaan praten over systeemverandering.
Hoop is geen emotie die je overkomt. Hoop is ook een rationele keuze. Een keuze voor een economie die dient, in plaats van uitput. Komend seizoen ga ik weer naar buiten. De klei in. Mijn creativiteit, presentatie skills en camera in de aanslag. Want met deze cijfers in mijn achterhoofd weet ik: het heeft zin. Meer dan ooit.
Laten we stoppen met vrezen en beginnen met bouwen. Bouw je mee?




